De blinde vlek in de uitbreiding van de abortuswet.

Opnieuw is er ophef. Opnieuw is er debat. Minister Verlinden stelt in een ontwerpwettekst nu voor om de mogelijkheid tot zwangerschapsafbreking naar 14 in plaats van de huidige 12 weken op te trekken en volgt dus niet de (minimaal) 18 weken die in 2023 door een expertpanel werd voorgesteld of de 22 weken die vzw LUNA, de vereniging van Nederlandstalige abortuscentra in België, vroeg en die meer in lijn liggen met de Nederlandse termijn van 24 weken. 

Het debat gaat om het aantal weken. Uiteraard moeten die ooit bepaald worden; die grens is nodig en er is ongetwijfeld voldoende medische grond ook te geven voor een welbepaalde grens. Toch blijft die grens ook arbitrair. Het gaat niet om het aantal weken.

De blinde vlek in dit debat is dat elke bepaling noodzakelijkerwijs faalt. In de ochtend op zondag 7 juni op Radio 1 was Carine Vrancken, directeur van LUNA nog erg kritisch. Ze stelde onder meer dat deze uitbreiding onzinnig is en dat de wettelijke wachttijd verlagen van 6 tot 2 dagen nog altijd bedenkelijk is. Mensen die beslissen tot een zwangerschapsafbreking doen dit weloverwogen en, zo stelde ze, we moeten af van het spreken over ogenschijnlijk tegengestelde belangen. De moeder en ouders die voor de zwangerschapsafbreking kiezen hebben geen tegengestelde belangen maar doen dit uit zorg voor het kind; ze willen het kind niet in een voor hen onverantwoorde of onmogelijke situatie laten opgroeien. Die wettelijke wachttijd is dus ook onnodig omdat er niemand is die met zoveel zorg die beslissing neemt dan de toekomstige ouders. 

Dat laatste is ongetwijfeld waar. Die beslissing nemen moet tegelijk verschrikkelijk zijn en, net daarom, met bijzonder veel zorg gebeuren. Het is echter niet zo dat er geen belangen conflicteren. Oog hebben voor dat conflict laat ons net toe te begrijpen dat de discussie niet gaat over het aantal weken. Die doen er niet echt toe. We moeten erkennen dat zwangerschapsafbreking, ondanks dat dit absoluut noodzakelijk moet zijn, altijd problematisch zal zijn. 

Abortus heeft onlosmakelijk te maken met de ouderrol. Welke reden er ook is om voor een abortus te kiezen, de gemeenschappelijke noemer is deze: de zwangere vrouw, en bij uitbreiding de ouders, kunnen zich niet verzoenen met datgene wat het kind binnenbrengt in het leven, namelijk de nakende en altijd blijvende ouderrol en de omstandigheden en context die deze rol eisen. Voor abortus kiezen betekent echter ook impliciet meedelen dat de betekenis die vasthangt aan de ouderrol, aan een kind (krijgen) irrelevant is. Door voor een abortus te kiezen lijk je dus te zeggen dat ouderschap helemaal niet zo belangrijk is en ook dat de manier waarop je je verhoudt tot die rol en het toekomstige kind eigenlijk irrelevant is.

Het kiezen voor abortus is daarom altijd ook potentieel zeer gewichtig voor degene die de keuze maakt: van zodra iemand tot het besef komt dat die zich in feite niet kan loskoppelen van de betekenis die zij zichzelf ontzegd heeft in de abortus-act, of op zijn minst voor dat kind, en datgene wat er ontzegd is in die toekomst, kan vernietigend zijn omdat het die persoon zijn volledige identiteit uit balans kan brengen aangezien dit gepaard gaat met het besef dat ‘haar leven’ en dat van dat kind totaal anders was geweest en daarmee ook hun beider identiteit.

De abortus-praktijk is dus intrinsiek niet zonder controverse. Enerzijds omdat buitenstaanders en de gemeenschap verontwaardigd of misnoegd kunnen zijn omdat zij zich aangevallen voelen in datgene wat voor hen als betekenisvol wordt aanzien. Ouderschap en hoe je je verhoudt als ouder tot je (toekomstig) kind is immers normaliter gebaseerd op onvoorwaardelijke liefde terwijl de abortus-act net lijkt te zeggen dat ouderschap, kinderen en menselijk leven niet zo belangrijk of gewichtig zijn. Anderzijds omdat ook degene die voor abortus kiest zich niet kan loskoppelen van de betekenis van biologisch ouderschap en datgene wat kinderen hebben voor iemand betekent. Dit betekent dus dat de abortus-kiezer zich noodzakelijk in een paradoxale situatie bevindt: zij moet het belang van zwangerschap en de biologische ouderrol en de betekenis van kinderen krijgen en hebben impliciet ontkennen, maar kan zich tegelijkertijd niet onttrekken aan de betekenisstichtende orde waarin ze zich begeeft en waarin, ook voor haar, ouderschap en kinderen en het leven als waarde- en betekenisvol aanzien worden.

Elke termijn zal redelijk gebaseerd zijn op medische indicatoren, zoals vanaf wanneer het zich ontwikkelende kind pijnprikkels probeert te vermijden. Welke termijn de wetgever dan aan de wet inschrijft, verandert bovenstaande geenszins. De zwangerschapsafbreking en de keuze daarvoor zullen altijd problematisch blijven, ondanks de noodzakelijkheid van hun bestaan.

Wanneer stemmen in het publieke debat, of zelfs politieke partijen, dus een zogenaamd conservatief standpunt innemen en moeilijk doen over die uitbreiding, dan gaat het niet zozeer om het aantal weken. De moeilijkheid gaat om het intuïtief besef dat een abortus noodzakelijk impliciet moet ontkennen wat we uiterst waardevol achten: kinderen, ouderschap en menselijk leven. Mensen die hun bezorgdheid uiten over zulke praktijken putten dus mogelijk uit een symbolische gevoeligheid. Ze spreken vanuit een gevoel dat er iets op het spel staat. Het conservatieve standpunt meewarig behandelen is om die reden dus ook weinig zinvol. Het (gematigde) conservatieve standpunt dat niet dogmatisch of religieus geïnspireerd is of hoeft te zijn, bestaat erin een zeker ongemak te ervaren bij en uit te spreken over deze praktijk, ondanks dat dit standpunt nog steeds kan of wil erkennen dat de praktijk ook stoelt op een recht of moet bestaan. De slechts 14 weken of de wachttijd en de twijfel omtrent een uitbreiding tot 18 of 22 weken probeert dus, zij het soms wat onhandig, uiting te geven aan dit besef en het daarbij behorende ongemak. 

Het is dus jammer dat we haast zelden de tijd nemen om ons af te vragen waarop die bezorgdheid of tegenkanting gestoeld lijkt. Er zijn goede redenen om de termijn te verlengen en dus abortus ook nog enkele weken later toe te laten, maar opnieuw, dat is niet de grond van de zaak. Het debat dat gevoerd zou moeten worden, is de vraag naar de ruimere impact van die keuze tot abortus, die er weliswaar moet zijn en die moet bestaan, maar die niet anders kan dan datgene wat betekenis sticht aantasten. De vraag is hoe we omgaan met die aantasting én evenzeer welke omkadering we voorzien. Hebben we voldoende aandacht voor de zorgbehoefte die mogelijk nadien kan ontstaan, ook bij diegene die dat recht uitoefende? Ook in de uitoefening van rechten kan een vorm van lijden liggen. Niemand kiest graag voor een abortus. Ook een abortus is een kind verliezen. Vandaar het blijvende ongemak. Vandaar de moeilijkheid. 

Volgende
Volgende

Persoon, autonomie en de pijnlijke blinde vlek in het euthanasiedebat.