Abortus, euthanasie, draagmoederschap en donorkinderen. Eén pot nat?

Het is hommeles in de regering. Ethische dossiers zaaien verdeeldheid. Het regeerakkoord of wat er in de marge daarvan afgesproken geweest zou zijn, houdt moeilijk stand. Dat is niet verwonderlijk. Deze dossiers zijn fundamenteel onoplosbaar en ondanks dat bijkomende wetgeving aangewezen lijkt, gaat de letter van de wet niet helpen. De blinde vlek in deze dossiers wordt niet gezien. Het zou thans helpen om meer begrip te creëren voor de hommeles, en wie weet is dat ook nog zinvol voor onze reflecties en deliberaties die aan de oorsprong van elke wetgeving liggen.

Vier ethische thema’s. Vier problemen. Eén bron. Nog vijf alinea’s van uw tijd.

Eén. Zwangerschapsafbreking. Elke wetswijziging en beslissing zal redelijk gebaseerd zijn op medische indicatoren. 14 of 18 weken of 20. Het maakt niet uit en eigenlijk doet het er niet toe; die termijn is niet de grond van de zaak. En wel hierom.

Ondanks dat een zwangerschapsafbreking moet kunnen en een uitbreiding van de huidige termijn wenselijk blijkt, is de abortus-praktijk intrinsiek niet zonder controverse. De keuze voor een zwangerschapsafbreking kan immers niet anders dan minstens impliciet de betekenis van menselijk leven, kinderen en ouderschap ontkennen. Kiezen voor de afbreking lijkt immers te zeggen dat dit kind en het ouderschap ervoor minder belangrijk is en dus ontstaat er een zweem van irrelevantie omtrent iets dat normaliter als uiterst betekenisvol aanzien wordt. Buitenstaanders en de gemeenschap kunnen dus verontwaardigd of misnoegd zijn omdat zij zich aangevallen voelen in datgene wat voor hen als betekenisvol wordt aanzien, namelijk de betekenis van kinderen krijgen, ouderschap, en menselijk leven. De paradox bestaat in de keuze tot afbreking: die kan niet anders dan tegelijk de relevantie van kinderen, ouderschap en menselijk leven ontkennen en tegelijk bevestigen — de afbreking gebeurt immers uit zorg voor.

Twee. Donorkinderen en de anonimiteit van donoren of biologische ouders. Opnieuw een paradoxale situatie.

Soms zijn mensen onfortuinlijk en kunnen ze zelf geen kinderen krijgen, wat de reden daarvoor ook moge zijn. Omdat we menen dat we mensen omwille van hun toevallig biologisch nadelige situatie niet het recht op kinderen mogen ontzeggen, is er een medische en sociale praktijk om deze onfortuinlijkheden te overkomen en dus deels een biologisch eigen kind te hebben. Deze praktijk is intrinsiek paradoxaal omdat we met deze praktijk impliciet het belang van de connectie tussen ouderrollen en biologisch ouderschap onderschrijven én totaal irrelevant achten — een standpunt dat Arnold Burms ooit verkondigde. Ter verduidelijking: om aan de vraag van een eigen kind tegemoet te komen — en dus om de belangrijke connectie tussen de ouderrol en biologisch ouderschap te bevestigen — moeten we tegelijkertijd veronderstellen dat deze connectie en de betekenis die daaraan vasthangt totaal irrelevant is. Het is namelijk zo dat we in het geval van ei- of spermaceldonatie veronderstellen dat de donor volstrekt géén interesse vertoont in zijn of haar biologisch kind.

Dit impliceert dat donorkinderen, net zoals adoptiekinderen, altijd een interesse kunnen en vaak zullen ontwikkelen voor hun biologische ouders. In dat opzicht vat ook het zogenaamde ‘recht op afstamming’ niet de eigenlijke reden. De identiteit van donoren is voor donorkinderen belangrijk niet omwille van genetische redenen maar omdat ze niet kunnen ontsnappen aan de symbolische orde die in al haar gewicht op hen neerdaalt. Zij willen de ongekende ouder kennen omdat ze inzien dat het onbegrijpelijk is dat die ouder hen niet wou kennen. Ze willen te weten komen of die ouder misschien toch interesse heeft ontwikkeld in het eigen kind. De wetenschap dat er een persoon is die verantwoordelijk is voor je bestaan, door de bewuste keuze die het donorschap inhoudt, maar lak heeft aan je bestaan, aan wie je bent, wat van je wordt, en of je gelukkig bent, is heel lastig om dragen. Het lijkt alsof iemand die normaliter uiterst belangrijk is voor je nu vanuit een onbekende positie ergens staat te schreeuwen dat je niet van tel bent. Dat is waarom die medische praktijken paradoxaal werken; omdat ze tegemoetkomen aan een vraag en daar betekenisstichtend willen op antwoorden maar in die betekenisstichting voor de ouders, om hun ouderrol te kunnen opnemen, tegelijk op een constante manier de betekenis van het kind te pas en te onpas kunnen komen verstoren. De relevantie van het kind voor de ouders daalt noodgedwongen ooit in mindere of meerdere mate neer op het kind als de irrelevantie van het kind voor die derde, onbekende ouder. Daarom willen donorkinderen op zoek naar de identiteit van de onbekende ouder.

Net zoals adoptiekinderen vaak hun biologische ouders willen opzoeken. Ze zoeken naar begrip voor een onbegrijpelijke keuze, namelijk een keuze voor hun ogenschijnlijk irrelevant bestaan. De biologische ouder willen leren kennen ligt in het verlengde van dat verlangen. Door het begrijpen van die keuze, door de donor te leren kennen en diens context van toen, heeft het donorkind de kans om de ogenschijnlijke irrelevantie van zijn of haar geboorte en bestaan te kaderen en aan significantie te winnen. De identiteit kennen van donoren zal altijd deel zijn van het verlangen van donorkinderen omdat ze niet anders kunnen.

De hele praktijk is echter gestoeld op de donor die door zijn of haar donorschap er expliciet voor kiest om geen betekenisvolle rol te spelen, of in het geval van adoptie, die rol af te staan omwille van vaak situationele omstandigheden. De identiteit van donoren op een afdwingbare manier achterhaalbaar maken is dus problematisch, ook al is het ten volle te begrijpen. Wanneer je donoren wettelijk ontdoet van hun anonimiteit, zijn ze niet langer donor maar een soort derde ouder.

Drie. Draagmoederschap. Draagmoederschap is op een gelijkaardige manier problematisch en paradoxaal.

Om het belang en de betekenis te bevestigen van het (biologisch) ouderschap en een eigen kind te hebben, is het hier noodzakelijk om minstens impliciet het belang van een kind dragen en baren en de natuurlijke, biologische band die tussen een moeder en haar kind bestaat te ontkennen. Het bijkomend element van vermarkting, waarbij in sommige landen en situaties de moeder financieel vergoed kan, mag of moet worden voor het dragen van het kind, lijkt dit te versterken. Het loskoppelen van zwangerschap en geboorte met moederschap is dan niet langer impliciet maar expliciet in die zin dat een betekenisvolle relatie opgeofferd wordt voor financieel gewin. Het afstaan van het gedragen kind is, net zoals bij adoptie, in normale omstandigheden ontoelaatbaar omdat het de betekenis van een kind en ouderschap aantast; kinderen kunnen niet opgegeven worden en je kan je eigenlijk niet ontdoen van ouderschap. Het vrijwillige of dienstverlenende karakter ervan strookt niet met onze normale omgang met de inherente betekenissen hier, van kinderen, ouders, menselijk leven.

Vier. De uitbreiding van de euthanasiewet voor personen die lijden onder dementie of de ziekte van Alzheimer. Opnieuw de paradox en opnieuw de tragische onoplosbaarheid.

De euthanasievraag berust op de idee dat de persoon ondraaglijk en onomkeerbaar lijdt en vanuit dat lijden, aangezien het ondraaglijk is, mag verzoeken en beslissen, als de persoon wilsbekwaam is en het lijden als onomkeerbaar en ondraaglijk kan worden gediagnosticeerd, uit dat lijden te stappen. Dat laatste impliceert dat de persoon ook uit het leven stapt en daartoe medisch geassisteerd wordt. Die wilsbekwaamheid, of autonomie, en het ietwat ambigue concept van ‘de persoon’ spelen hier een belangrijkere rol dan we vaak willen toegeven.

Mijn bestaan en wie ik ben, hangt samen met mijn lichamelijkheid. Mijn lichamelijkheid is zoals mijn naam. Ze verbindt mij aan een uniek en identificeerbaar bestaan dat zich doorheen de tijd beweegt als één individu, zowel voor mezelf als voor anderen, ondanks dat ik doorheen de jaren verander. Dat de symbolische orde ons die status van menselijke waardigheid en lichamelijke integriteit toekent is een goede zaak; ze beschermt elke persoon, onafhankelijk van diens toestand of capaciteiten, en garandeert een absolute vorm van respect. In het bijzondere geval van de euthanasievraag bij dementerenden leidt die verbinding tussen lichamelijke continuïteit, persoonsidentiteit en onze autonomie tot een moeilijk spanningsveld.

Voor de dementerende betekent het dat hij of zij enkel te vroeg kan gaan. Wanneer dat ik autonoom moet kunnen beslissen om uit een huidig of nakend lijden te stappen vooraleer zichzelf te verliezen, dan moet het dat doen wanneer dat ik er nog is. Dat is de tragiek van het autonome ik. Wanneer dat in een latere fase zou moeten gebeuren, moet dat ondertussen verdwenen of nog maar zeer beperkt aanwezige ik berusten op nabestaanden en zorgverleners om er een einde aan te maken. Een einde aan een bestaan dat vermoedelijk zelf niet langer vragende partij is om zichzelf te laten beëindigen en zich ook niet langer identificeert met het ons ontvallen ik, en dus ook niet met de vraag om dit bestaan niet te laten gedijen. Dat bestaan zet echter wel nog die persoon, en in zekere zin dat ik van weleer, voort. Wanneer dat ik (grotendeels) weg is, rest er enkel de absolute eis om voor de persoon zorg te dragen en de persoon is nu eenmaal niet enkel dat ik van weleer. Persoon-zijn werd ons gegund en terwijl ik er zelf kan voor kiezen dat te beëindigen, laat het niet toe beëindigd te worden. Onze autonomie is dus niet het absolute fundament van onze waardigheid, onze identiteit en ons persoon-zijn. Een gedachte of inzicht dat in onze autonomie-verheerlijkende maatschappij moeilijk te aanvaarden valt.

Vijf. Eén pot nat?

We moeten inzien dat deze dossiers raken aan fundamenten van onze betekenisgeving. Het conservatieve of beter argwanende standpunt meewarig behandelen is om die reden dus ook weinig zinvol. Dit standpunt, dat niet dogmatisch of religieus geïnspireerd is of hoeft te zijn, bestaat erin een zeker ongemak te ervaren bij en uit te spreken over deze praktijken, ondanks dat het nog steeds kan of wil erkennen dat deze praktijken ook stoelen op dezelfde zoektocht naar betekenisgeving en dus, in zekere zin, best blijven bestaan. Het is echter zo omdat deze praktijken impliciet deze betekenissen ontkennen dat ze ook altijd zullen leiden tot problemen en weerstand. De symbolische orde vraagt dit verzet. Ouderschap is immers een symbolisch iets dat toelaat ons op een betekenisvolle manier te verhouden tot onze voortplanting. Wanneer we te makkelijk omgaan met het ons laten ontvallen van kinderen, zij het in de zwangerschap of door donatie, en ouderschap opschortbaar lijken te maken en menselijk leven als voorwaardelijk, dan spelen we met vuur. De symbolische orde is in die paradoxale contexten op de dool en kan ongevraagd terugslaan. Vandaar de intuïtieve argwaan; we voelen dit aan. Vandaar het blijvende ongemak. Vandaar de moeilijkheid. Vandaar dat zulke dossiers tot hommeles leiden. Ze zijn immers onoplosbaar en intrinsiek problematisch, omdat de praktijk dat is, omdat die praktijk ingaat vanuit een bezorgdheid voor betekenis tegen die betekenissen waar het om te doen is. De symbolische orde davert en dus ook de politiek. Ze weten niet wat gedaan. De meningen zijn verdeeld en ze zullen dat blijven.

Volgende
Volgende

De blinde vlek in de uitbreiding van de abortuswet.