Persoon, autonomie en de pijnlijke blinde vlek in het euthanasiedebat.
Er is een blinde vlek in het recente debat omtrent euthanasie bij dementie. Vermoedelijk omdat het blootleggen ervan enkel er toe kan leiden dat we de problematiek van de vraagstelling beter begrijpen maar ook inzien dat er eigenlijk geen oplossing voor is. De tragiek zal blijven bestaan.
De euthanasievraag berust op de idee dat de persoon ondraaglijk en onomkeerbaar lijdt en vanuit dat lijden, aangezien het ondraaglijk is, mag verzoeken en beslissen, als de persoon wilsbekwaam is en het lijden als onomkeerbaar en ondraaglijk kan worden gediagnosticeerd, uit dat lijden te stappen, wat impliceert dat de persoon ook uit het leven stapt en daartoe medisch geassisteerd wordt. Die wilsbekwaamheid, of autonomie, en het ietwat ambigue concept van ‘de persoon’ spelen hier een belangrijkere rol dan we vaak willen toegeven.
Wie ik ben, hangt samen met mijn lichamelijkheid. Ik werd mens door mijn lichamelijkheid en die lichamelijke continuïteit garandeert dat ik ik blijf, ondanks dat ik doorheen de jaren, ervaringen en mogelijk ziekte of trauma totaal verander. Mijn lichamelijkheid is zoals mijn naam. Ze verbindt mij aan een uniek en identificeerbaar bestaan dat zich doorheen de tijd beweegt als één individu, zowel voor mezelf als voor anderen. Dat maakt ook dat onafhankelijk van mijn lichamelijke en geestestoestand, zelfs in mijn dood, ik als persoon altijd blijf samenvallen met mezelf.
Dat de symbolische orde ons die status van menselijke waardigheid en lichamelijke integriteit toekent is een goede zaak; ze beschermt elke persoon, onafhankelijk van diens toestand of capaciteiten, en garandeert een absolute vorm van respect. In het bijzondere geval van de euthanasievraag bij dementerenden leidt die verbinding tussen lichamelijke continuïteit, persoonsidentiteit en onze autonomie tot een moeilijk spanningsveld.
Het is immers ik die leeft, die denkt, die voelt, die handelt en die beslist over mijn lichaam en mijn leven. Wat dementie duidelijk maakt, is dat dat ‘ik’ afhankelijk is van dat lichaam, die lichamelijke continuïteit én van anderen en dus ook dat dat ‘ik’ niet zo autonoom is als het zelf zou willen en zelf niet de auteur of oorsprong is van zijn persoon-zijn. Persoon ben ik maar omdat ik zo erkend word en voor die erkenning berust ik niet op mijn autonomie.
Dat maakt het lastig. Voor de dementerende betekent het dat hij of zij enkel te vroeg kan gaan. Wanneer dat ik autonoom moet kunnen beslissen om uit een huidig of nakend lijden te stappen vooraleer zichzelf te verliezen, dan moet het dat doen wanneer dat ik er nog is. Dat is de tragiek van het autonome ik. Wanneer dat in een latere fase zou moeten gebeuren, moet dat ondertussen verdwenen of nog maar zeer beperkt aanwezige ik berusten op nabestaanden en zorgverleners om er een einde aan te maken. Een einde aan een bestaan dat vermoedelijk zelf niet langer vragende partij is om zichzelf te laten beëindigen en zich ook niet langer identificeert met het ons ontvallen ik, en dus ook niet met de vraag om dit bestaan niet te laten gedijen. Dat bestaan zet echter wel nog die persoon, en in zekere zin dat ik van weleer, voort. Minister Verlinden bleef in De Afspraak dus niet voor niets hameren op die relationele autonomie en het belang van het evoluerende ziektebeeld, ook vanuit het perspectief van de patiënt zelf, ondanks dat ze daar weinig duidelijkheid mee kon scheppen.
De blinde vlek blootleggen is dus pijnlijk omdat dit reveleert dat de vrees voor het verlies van autonomie is gestoeld op de onmogelijkheid te aanvaarden dat onze autonomie niet het absolute fundament is van onze waardigheid, onze identiteit en ons persoon-zijn. Een gedachte of zelfs inzicht dat in onze individualistische, autonomie-verheerlijkende maatschappij vandaag moeilijk te aanvaarden valt. Uiteraard is het aan het autonome ik om die keuze anders te maken, in waardigheid, met een geloof in wat een kwaliteitsvol leven voor hem of haar uitmaakt, maar dan is de vervelende onontkoombaarheid dat de dementerende altijd te vroeg moet gaan. Hij of zij moet immers zelf gaan. Wanneer dat zelf weg is, rest er enkel de absolute eis om voor de persoon zorg te dragen en de persoon is nu eenmaal niet enkel dat ik van weleer. Persoon-zijn werd ons gegund en terwijl ik er zelf kan voor kiezen dat te beëindigen, laat het niet toe beëindigd te worden.